igorblogt

igorblogt

Hier staan veelal persoonlijke verhalen.

Ik ben ook behoorlijk actief op Twitter: kijk maar.
En heb zelfs een website: www.igorwijnker.nl

Verplichte Groningse kost

Vera's boekenrubriekGeplaatst door Igor Wijnker di, januari 27, 2015 22:13:49


Het heeft iets raars: een boek bespreken van een man die eind november nog aanwezig was bij de gedenkwaardige presentatie in een volle Verazaal, maar inmiddels niet meer onder ons is. Jan Strikwerda overleed op 10 januari en –bescheiden als hij was- zou hij het waarschijnlijk niks hebben gevonden dat ik hem al in deze eerste alinea zo op de voorgrond plaats. Terwijl diegene over wie de biografie gaat nog steeds niet is genoemd. Maar verdomd, die Strikwerda heeft een puik boek geschreven. Een boek dat niet mag ontbreken in de verzameling van elke Groningse pop- en rockliefhebber.

De hoofdpersoon is namelijk, hèhè, daar is-ie eindelijk, Lou Leeuw: de Groningse popgeschiedenis in hoogst eigen persoon. Nee, dat is niet overdreven: als tiener was Leeuw er vanaf 1961 al actief met The Rocking Tigers en hij speelt nog steeds –meerdere keren per week- in een café, ergens in de stad vaak voor een handjevol mensen. Of elders in het land, op een groter podium, maakt hem niks uit. Als hij maar muziek kan maken.

Het tekent de rasmuzikant, die op het podium niet in het middelpunt van de belangstelling hoeft te staan of aan een groot oeuvre bouwt. Leeuw heeft weinig eigen songs geschreven, omdat hij zichzelf niet zo goed vindt als songschrijver.

Popmuzikanten met zo’n staat van dienst en toch zo’n bescheidenheid en zelfkennis: ze zijn heel dun gezaaid. Dat Leeuw met zijn eerste band (The Tykes) in 1967 in het voorprogramma van The Rolling Stones stond, hij later als bassist bij Cuby and the Blizzards speelde of in de band van Herman Brood en per vliegtuig door Europa tourde met Nina Hagen: allemaal heel leuk en het zorgt ook voor mooie anekdotes, maar minstens zo leuk vindt Leeuw het om in een café een beginnende zangeres te begeleiden of met de jonge honden van Twin Reverb keihard Led Zeppelin-liedjes te spelen. Hij ontvangt inmiddels AOW, maar is nog zo actief dat een anonymus in het boek opmerkt ‘dat Lou , net als Sinterklaas, allemaal hulploutjes in dienst heeft.’

Als je de kans krijgt om de oude rocker aan het werk te zien, moet je dat zeker ‘ns doen. Zelfs met leesbrilletje (om z’n tekstvellen te kunnen lezen) is Lou Leeuw een eeuwige jongen. En Lou Leeuw, een rockende tijger is een heerlijk jongensboek. Maar ook heel geschikt voor meisjes - van alle leeftijden. Tenzij je een meisje bent dat van testosteronbommen, uitroeptekens, oeverloze beschrijvingen en overtreffende trappen houdt.

In een zeer prettige stijl beschrijft Strikwerda het leven van de muzikant die z’n broodtrommeltje meenam naar optredens. Dat is nog ‘ns wat anders dan sex, drugs, drank en rock ’n roll. Maar saai wordt het nergens. Ook omdat er geen woord teveel in staat. Exact 100 bladzijden telt de biografie netto. De prachtigste verhalen worden slechts terloops genoemd, zoals de nacht dat de Rocking Tigers het gebouw van RONO (voorloper van RTV Noord) binnensluipen om stiekem drie liedjes op te nemen, of de drummer die tijdens een optreden dood van zijn kruk valt.

Ik hoopte soms op meer details, maar door die bondigheid blijft er wel veel ruimte over voor de fantasie van de lezer en zit er ook heel veel vaart in het boek. Bovendien past deze stijl helemaal bij Leeuw, die zijn optredens nooit afsluit met toegiften maar de mededeling: ‘Oké, dat was het.’

Kortom: de Groningse rocklegende kreeg zijn ideale biograaf. En hoewel Jan Strikwerda zichzelf volledig heeft weggecijferd (alleen zijn naam staat op het boek) heeft hij in zijn bescheidenheid een prachtig monument opgericht voor Lou Leeuw. En voor zichzelf.

(Eerder gepubliceerd op de website van Vera)



  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post291

De boekanier #21 Kinderen van het Ruige Land

Vera's boekenrubriekGeplaatst door Igor Wijnker za, februari 09, 2013 10:17:06

Soms heb je van die boeken waarvan het onvermijdelijk is dat ze worden geschreven. Kinderen van het Ruige Land van schrijver-journalist-muzikant Auke Hulst (Hoogezand-Sappemeer, 1975), is zo’n boek. De vroege ambitie van Hulst, die al op zeer jonge leeftijd serieus aan het schrijven was en zijn hoogst ongewone jeugd in het gehucht Denemarken (dat letterlijk Ruigevelden betekent) zouden vroeg of laat culmineren in deze autobiografische roman.

A spoiled childhood is a writer’s goldmine, luidt het cliché en Hulst heeft puur goud in handen met dit verhaal. Door de locatie en de cast: op de kale Groningse vlakte staat een vervallen huis in een bos dat wordt bewoond door een gedesintegreerd gezin dat is vervreemd van familie en van het dorp dat even verderop ligt. Vader is jong gestorven en moeder ontvlucht –vaak letterlijk- haar verantwoordelijkheden. En schuldeisers. Soms vertoont ze zich wekenlang niet; de vier jonge kinderen moeten zichzelf maar zien te redden.

De heftige geschiedenis heeft diepe sporen nagelaten, maar moest eerst bezinken. Zijn uitgever Meulenhoff wilde het graag uitgeven, maar Hulst deed er verstandig aan niet met dit boek te debuteren. Hij publiceerde eerst drie andere boeken, maakte een aantal albums (solo en met zijn band De Meisjes), soms in combinatie, zoals de roman Wolfskleren (2009) die een cd met bijbehorende muziek bevat. Pas in het najaar van 2010 begon hij met schrijven aan het manuscript van zijn leven. Anderhalf jaar later leverde hij het in.

Aan alles kun je merken dat de zeer belezen Hulst niet over één nacht ijs is gegaan en dat dit (vooralsnog) zijn levenswerk is. Het is vooral een vol boek geworden: waarin hij de ontwikkeling van de getroebleerde jongen (Kai) schetst, maar ook de tijdgeest van de jaren 70 en 80. Een boek gevuld met soms prachtige, soms ook te lange beschrijvingen van de omgeving en het huis dat steeds smeriger wordt, de gedetailleerde karakterisering en ontwikkeling van de hoofdpersonen. Je komt ook veel filosofische bespiegelingen en verwijzingen naar de literatuur en popcultuur tegen. De broer van Kai heet Kurt, z’n beste vriend Jarmusch.

Hulst balanceert vaak op een dun koord tussen mooie lyriek en overdaad. De schrijver –tevens literair recensent voor NRC- heeft als lezer van Grote Literatuur een verfijnde smaak ontwikkeld, maar etaleert die naar mijn smaak ook iets te vaak. Dat verhindert een soepel verloop van het verhaal en zorgde er –samen met de afwezige spanningsboog- voor dat ik het niet in één ruk wilde uitlezen.

Maar doorlezen wil je wel. Omdat je geheid op mooie passages stuit. Dat zijn meestal de gedeeltes waarin de schrijver zich in weet te houden. Bijvoorbeeld als Kai -die zijn vader slechts kort heeft gekend- zich de ochtend herinnert toen ze samen naar de bakkerij reden en de auto panne kreeg. Een anekdote zonder verdere uitleg of duiding, klein en ontroerend. Daarna somt hij al zijn herinneringen aan zijn vader op. Meer dan een bladzijde is er niet voor nodig, maar veel van die zinnen komen aan als mokerslagen. Prachtig is daarna ook hoe de ruzie tussen zijn ouders wordt beschreven.

Het zijn hoogtepunten in een verhaal dat vaak deze urgentie ontbeert en dat veel sterker was geweest als het was ingekort. Ik smachtte gaandeweg naar het slot. Tot bladzijde 295 zich aandiende, waar het verhaal een sprong in de tijd maakt: het is 1998 en Kai gaat zijn moeder ophalen die naar Zuid-Frankrijk is gevlucht en daar als clochard leeft. Het is het sterkste deel van het boek, waarin Kai de confrontatie met zijn moeder zoekt, maar ondanks alles ook een mild licht op haar laat schijnen. En de slotscène is memorabel: zijn moeder die minutenlang in een beek staat te huilen, slechts gehuld in T-shirt en onderbroek, en Kai die hulpeloos langs de kant zit. Hij had niet het vermogen het water in te gaan en deze vrouw vast te houden, te troosten, gerust te stellen.

Nu is het nog wachten tot de eerste filmmaker zich meldt, want ondanks de tekortkomingen schreeuwt dit verhaal daar ook om: Kinderen van het Ruige Land móet worden verfilmd.

Eerder gepubliceerd in Verakrant 2 (jaargang 38), 31 januari 2013

  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post224

Boeken van het jaar 2012

Vera's boekenrubriekGeplaatst door Igor Wijnker ma, december 31, 2012 15:05:28

Dit jaar las ik geen deel van Voskuils romancyclus Het Bureau, dus die ontbreekt in deze lijst. Mijn leesjaar 2012 wordt vooral gemarkeerd door de ontdekking van Anton Valens, die meteen met twee titels in mijn top-12 staat.

Omdat ik – in tegenstelling tot heel veel andere mensen, vooral bij de tv- vind dat kunstenaars geen sporters zijn, maak ik er geen ranglijst van. Dit zijn gewoon de boeken die mij prachtige uren hebben bezorgd. Daarom: dank jullie wel, onderstaande boeken! Over de meeste boeken schreef ik een recensie voor de Verakrant. Ik heb geen zin om linkjes te maken, dus scroll maar even door Vera's boekenrubriek.

Max Niematz – In de schaduw van toekomstige rampen

Hendrik Cornelis Hoogcarspel, schrijver van de oude stempel (die in sommige opzichten gelijkenissen vertoont met Niematz, en ik kan het weten –als schoonzoon zijnde), wil geen schrijver meer zijn. Hoogcarspel wil leven en vertrekt in zijn oude Mercedes 200 D naar Wenen voor een onvergetelijke reis. Niematz is geen pleaser, schrijft soms lange moeilijke zinnen die je twee of drie keer moet lezen om ze te begrijpen. Hij maakt ook geen knieval door de Duitse, Engelse, Franse en steenkolen-Oostenrijkse dialogen te vertalen. Maar hij schrijft ook schitterend en zuigt je zo krachtig het boek in dat je móet doorlezen. In één opzicht lijkt Niematz (1942) zeker niet op Hoogcarspel: hij is in de bloei van zijn schrijversleven en de laatste jaren juist zeer productief.

Roddy Doyle – De Commitments

Dit boek, deel 1 van de Barrytown trilogie, is ongeveer het tegenovergestelde van Niematz’ boek. Hilarisch, luchtig en snel verhaal over Jimmy Rabbitte jr. die een soulband opricht en daarmee furore maakt in Dublin. Extreem korte zinnen, veel dialogen en soms een hele bladzijde met fonetisch opgeschreven geluiden (DOEHHH – DOE – DOEH- DEHHH – DE – DEHHH voor de duidelijkheid, dit zijn de blazers). Alsof je het scenario van een film aan het lezen bent. Die film schijnt ook een aanrader te zijn, evenals de soundtrack. Eerst dit boek uitlezen, in sneltreinvaart.

Anton Valens – Het Boek Ont

Anton Valens – Meester in de hygiëne

F. Starik – Een steek diep

Geert Mak – Reizen zonder John

Haruki Murakami – Norwegian Wood

Div. auteurs – Naar de stad

Nanne Tepper – De avonturen van Hillebillie Veen

Mooie novelle van Tepper die in november een einde aan zijn geplaagde leven maakte. Dit werk stamt uit zijn gelukzalige periode toen hij ook zijn grote roman De eeuwige jachtvelden schreef. De thematiek is niet origineel (fatale liefde van twee adolescenten), maar de stijl van Tepper does the job. Dit proza vloeit, de zinnen zingen. Het is zeer ambitieus maar heeft tegelijk een fijne dosis zelfspot. Gesitueerd in Veendam, tel uit je winst. Wat is het toch doodzonde dat het Tepper niet was vergund om meer prachtige boeken te schrijven.

Van een zeker persoon moet ik hier dan toch Het Boek Van Het Jaar noemen. En dat is het in de andere lijstjes door schandalige afwezigheid schitterende boek Woordjes. Dat véél meer is dan zomaar een boek, maar maandenlang een zeer vertrouwde compagnon op het aankleedkussen. Nee, dat is veel te zwak uitgedrukt. Zelfs in het holst van de nacht, huilend, met de blote billen en beentjes spartelend in de koude slaapkamer bood het troost. Of keihard vermaak, letterlijk: een lachsalvo om 3.30 uur was niet uitzonderlijk. Alles is eigenlijk goed aan dit slechts 22 bladzijden tellende werkje. Het geluid van de stevige kartonnen bladzijden die tegen elkaar klepperen, de afgeronde knabbelvriendelijke hoeken, de kleuren die telkens weer andere emoties losmaken en inspiratie zijn voor nieuwe woorden zoals DAAAPP! BOEHAA! DuhDuhDuh. En je kunt het net zo makkelijk op z’n kop lezen. Heel spijtig is dat het boekje al een paar weken zoek is en ik het ook niet op internet kan traceren, dus kan ik hier ook geen afbeelding van de cover laten zien.

Maakt niet uit, kiest mejuffrouw toch een ander Boek Van Het Jaar. En dat is: Wat zie ik om me heen?

Mooi keus. Dit is namelijk ook een topboek: dikke bladzijden met tabs die je lekker kunt omslaan (een van de mooiste handelingen die er zijn, wisten jullie dat?). Ondubbelzinnige hoofdstukindeling (lekker eten, lieve dieren, fijn spelen, nat in bad, aan en uit, in de tuin), duidelijke en vrolijke kleurenfoto’s van soms heel herkenbare dingen of dieren die nog niet met naam en toenaam kunnen worden benoemd (lekker belangrijk).

Oh wacht even, ik heb nog geen luisterboek genoemd. Die mag ik er nog wel bij smokkelen, toch? Dat is in de boekenreeks Kiekeboegeluiden het fenomenale deel Toet! Toet!

Open een flap en je hoort een zomers trompetje, volgende bladzijde klinkt een lekke vuige rock&roll-gitaar. Sla om en trek die flap op: een enorm opzwepende trommel (waarop baby’s graag headbangen). Hé, wat zit er achter deze flap die al een beetje uit het lood hangt: swingende sambaballen! Verdomme, we zijn al bij de laatste bladzijde, maar wat een mooi slot: deze psychedelisch tingelende xylofoon.

  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post218

Boekanier #20 Meester in de hygiëne

Vera's boekenrubriekGeplaatst door Igor Wijnker vr, december 14, 2012 12:29:46

Ik kreeg bericht van de bibliotheek. Meester in de hygiëne van Anton Valens was alweer gereserveerd en mijn leentermijn was verstreken. Dat kwam niet omdat dit boek zo’n bittere pil is, maar omdat ik er veel te laat mee was begonnen. Stom. Onbegrijpelijk ook, want Valens’ laatste boek (Het boek Ont) heb ik zeven maanden geleden op deze plek nog luidruchtig bejubeld.

Hoe dan ook, ik dacht: “bekijk het maar bieb met je boete, ik móet ‘m uitlezen en dan zie ik later wel wat de schade is.” En dan is dit niet eens een roman, maar een verzameling autobiografische verhalen. Over de belevenissen van Valens die tien jaar als thuishulp-A werkte voor bejaarden die zelf niet meer konden (of wilden) schoonmaken en boodschappen doen.

Meester in de hygiëne (uit 2004) is zijn eerste boek en al helemaal Valens. De meeste schrijvers moeten eerst een aantal boeken schrijven voor ze hun stijl hebben gevonden; Anton Valens (Paterswolde, 1964) excelleert meteen. En heeft er ook al twee prijzen mee gewonnen. Onlangs is het in het Frans vertaald en genomineerd voor Le Prix du Marais 2012.

Valens is een schilder (die ondermeer studeerde aan Minerva en Rietveld) en zo schrijf hij ook. Met aandacht voor details (de steeds veranderende schaduw- en lichtvallen onder haar jukbeenderen). Met zinnen die met zoveel finesse en originaliteit zijn geschreven dat je ze zo fijn nagloeien in je hoofd. Familiebezoek is een beladen begrip. Er dringt daarmee als het ware een spanningsveld met eigen sleutel de woning binnen.

Aan ramen lappen kun je hooguit een paar interessante alinea’s wijden, dacht ik. Tot ik het verhaal Ramen lappen (22 bladzijden) las. Zoals Valens over deze vervelende klus schrijft kreeg ik bijna zin om het zelf te gaan doen. Bijna, want ik bleef toch liever lezen. Het is schilderen met puur licht, de kortstondige schilderijen veranderen en zakken in elkaar. Dit is waarlijk waterverven, dit is transparant bezig zijn. Het doet ook denken aan autoritten van vroeger: de druppels op de autoruit, vage, onscherpe reflecties, plotseling glasheldere lenzen waarin een verte verschijnt, prisma’s.

Maar het is geen mooischrijverij, het staat altijd ten dienste van de verhalen. Die pijnlijk en grappig tegelijk zijn, net als zijn laatste boek. Valens spaart zichzelf ook niet als hij schrijft over zijn depressies en moeizame liefdesleven. Een gestrande relatie wordt gevolgd door een maandenlange hunkering naar zijn Kirgizische vakantieliefde Gordana.

Hij schrijft met veel empathie over zijn cliënten, hoe lastig en smerig ze vaak ook zijn. Valens werkte ook het liefste in ‘moeilijke cliëntsituaties,’ zei hij onlangs in een interview. Waarom hij na tien jaar een zware burn-out kreeg is evident: het aftakelingsproces van alle cliënten –met wie hij een hechte band heeft opgebouwd- is aangrijpend, het afscheid onafwendbaar.

Zoals Voskuil in elk boek schreef over 'slechts' een bepaald deel van zijn leven (zijn werk, natuurwandelingen, buren), beschrijft Valens –wiens werkweek uiteraard uit meer schoonmaakklussen bestond- in elk verhaal één cliënt. Dat is een goede keus, want zo wordt de lezer in die levens gezogen. [Van] mensen die een enorme levenskracht hebben, die feitelijk niets meer hebben om voor te leven, behalve dan het leven zelf,’ schrijft Valens halverwege. Hij ziet zijn cliënten als ‘helden van de ouderdom.’ En zo portretteert hij ze ook, behalve dan mijnheer Hoenderdos op wie de Wet der Traagheid van toepassing is. Die stamt uit de natuurkunde en doelt op het verschijnsel dat een massa als het ware geen zin heeft iets uit zichzelf te ondernemen. Bij Hoenderdos was dat het geval. Deze cliënt wekt zoveel ergernis op bij de schrijver dat hij er ook een chagrijnig verhaal over schrijft. Regen over het Zoutkeetsplein. In de hoogzomer is dit plein al niet veel soeps, maar rond sinterklaas zakt je broek ervan af. (…) Hoenderdos, dat is echt de hel. Altijd die terugkerende vragen, zijn geslaap.

Toch krijg je mededogen met Hoenderdos, net als met de nog zeer vlijtige mevrouw Honkoop. En de 91-jarige Ripmeester die nog over het stofzuigersnoer heen springt en wiens zwierige taalgebruik de schrijver misschien wel heeft beïnvloed. De dementerende mevrouw Nieuwklap die steeds sterker afdaalde naar de eerste twintig jaar van haar leven. En dan het ijzingwekkende verhaal vertelt over haar moeder die ze op 8-jarige leeftijd kwijtraakte. Maar ze staat ook nog te flirten met haar hulp en heeft wonderlijk genoeg dezelfde smaak met dansmuziek. De meeste nummers op de radio vond ze niks. Zodra er echter een machinale housedreun opklonk , kwam haar enkelgewricht in actie. Met haar slof tikte ze de maat. ‘Mooi stuk,’ kon ze goedkeurend knikken.

Je krijgt een zwak voor de oude homo Van Wifferen met zijn bemoeizuchtige buurvrouw (stromen onnavolgbaar gekwebbel ontsnapten aan haar kleine mond als een stoet piepende vleermuizen uit een grotje.). Van Wifferen raakt al snel zo gesteld op zijn hulpverlener dat hij hem alles wil geven en nalaten.

Je gaat zelfs houden van Edes ‘de viesgemutste metselaar’, een kankerpit van de eerste orde die meestal op de bank ligt en iedereen vervloekt. Omdat thuishulp Valens niet dezelfde fout wil maken als zijn voorganger (‘een mietje met een ziekenfondsbrilletje’ die het waagde thuis te komen met kleine spritsen), vraagt hij op zijn eerste werkdag aan Edes welke spritsen hij dan moet kopen, ‘die gewone of met twee kleuren?’ ‘Wat loop jij nou te lullen? Twee kleuren? Probeer jij me nou ook al te verneuken? Man, weten jullie dan niks?(…) Godverdomme, spritsen, en niet van die kleintjes.’ Tenslotte kunnen de twee het prima met elkaar vinden.

Het onvermijdelijke afscheid is telkens een bittere pil – ook voor de lezer. En dat geldt ook voor het boek, waarvoor ik lachend een flinke boete betaalde. Maar als ik heel eerlijk ben wilde ik Meester in de hygiëne helemaal niet terugbrengen. Ik zal alsnog een exemplaar moeten kopen.

Eerder gepubliceerd in Verakrant 19, 13 december 2012

  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post216

Boekanier #19: Reizen zonder John

Vera's boekenrubriekGeplaatst door Igor Wijnker ma, november 05, 2012 14:13:27

Als er geen stemmen herteld hoeven worden, weten we op 7 november wie de komende vier jaar president is van de VS: de wankelende wereldmacht, die zelf niet weet (of wil weten) dat ze er slecht aan toe is. Die wrange conclusie dringt zich op na het lezen van Reizen zonder John van Geert Mak. De volkshistoricus ging, zoals de ondertitel luidt, Op zoek naar Amerika – en trof een land in verval. Voor alles is dit een ontluisterend boek.

We wisten al langer dat het niet goed gaat met Amerika. Dat ‘het paradijs van de overvloed’ van weleer een verdeeld land is, dat het een -juist door de Amerikanen altijd verketterde- standenmaatschappij is geworden. Zoals gezegd, het was allemaal al bekend, maar niet eerder werd het voor mij zo goed onderbouwd en met zulke harde cijfers uit de doeken gedaan.

Laat je daardoor niet afschrikken: ook Maks nieuwste turf (573 pagina’s) is vooral een meeslepend epos. Een reisverslag, geschiedenisboek en politieke analyse meesterlijk bij elkaar gebracht in één boek van internationale allure. Nederland mag best trots zijn op zo’n historicus. Al ziet hij zichzelf in de eerste plaats nog steeds als een journalist. Dan wel een zéér goed ingevoerde journalist en een groot verhalenverteller. Het is jammer dat die in het tweede deel te vaak wordt verdrongen door de erudiet uitweidende historicus – dat is mijn enige bezwaar tegen het boek.

De John uit de titel is schrijver John Steinbeck die in 1960 met een kleine camper door de VS reisde en daarvan verslag deed in Travels with Charley. Mak legt exact vijftig jaar later dezelfde route af als zijn grote voorbeeld om te ontdekken wat er nog is overgebleven van die wereldmacht die zich destijds ontpopte tot dé voorbeeldnatie voor de westerse wereld. Al zag Steinbeck toen al de eerste haarscheurtjes.

Mak, op zijn beurt, kan door zijn pijnlijke ontdekkingen over Steinbeck niet anders dan deze Nobelprijslaureaat van zijn sokkel duwen. Uit Steinbecks brieven en andere documenten die Mak (uiteraard) ook las voor dit project, reconstrueert hij dat de grote schrijver voor zijn non-fictie reisboek heel veel uit zijn duim heeft gezogen.

Door dit droste-effect krijgt het boek meerdere lagen, maar dankzij Maks meesterhand blijft het glashelder. Zo soepel als hij schrijft over de eerste kolonisten, schijnbaar achteloos een link legt naar het heden, weer terugkeert naar Steinbeck in 1960 en vervolgens terugschakelt naar communistenjager McCarthy in 1954: dit is grote vertelkunst.

Mak is de spreekwoordelijke wandelende encyclopedie, of beter: de in een Jeep reizende bibliotheek, die op het juiste moment het juiste boek uit de kast trekt om zelfs het kleinste plaatsje dat hij aandoet in zijn historische of culturele context te plaatsen. En uiteraard vertelt hij weer, zoals hij deed in zijn eerdere boeken, talloze verhalen van gewone mensen (de kleyne luyden) die tezamen het grote verhaal van de VS vertellen.

Mak neemt je mee op een wervelende reis door Amerika en zijn geschiedenis. Een reis van oost naar west (grofweg langs de grens met Canada), naar het zuiden (langs de kust) en tenslotte dwars door de zuidelijke staten, eindigend in New Orleans – de schandvlek van de regering Bush.

Reizen zonder John is de weerslag van een reis door een letterlijk en figuurlijk ziek land waar in 2009 liefst 45.000 Amerikanen stierven enkel omdat ze zich geen ziekteverzekering konden permitteren, terwijl ondertussen in Washington 3300 lobbyisten (zes voor ieder lid van het Congres) dit systeem in stand proberen te houden.

Amerika is een land bevolkt door veel verbitterde en kortzichtige mensen. Die klagen over hoe duur alles tegenwoordig is en in één adem door de gratis healthcare van Obama weghonen. ‘Want als iets gratis is zullen mensen er misbruik van maken.’

Steeds meer Amerikanen hebben door de minimale sociale voorzieningen de grootste moeite het hoofd boven water te houden, maar tweederde van de Amerikanen vindt big government - een grote overheid- nog steeds de grootste bedreiging voor het land.

Massa’s Amerikanen hebben meer vertrouwen in verbaal vaardige (tv-)dominees die verkondigen dat rijkdom binnen handbereik is. Mak duikt met ons ook in de wondere wereld van deze voorspoedpredikanten ‘die de grondslag hebben gelegd voor de hypotheekcrisis – die immers vooral veroorzaakt werd door zelfmisleiding en magisch denken op massale schaal.’

Door de historische duiding van Mak begin ik die gekke Amerikanen steeds beter te snappen, maar – om clown Bassie te parafraseren - ik begrijp ze steeds minder.

Eerder gepubliceerd in Verakrant 17, 1 november 2012

  • Reacties(1)//deblogger.igorwijnker.nl/#post213

Boekanier #18: Extra tijd

Vera's boekenrubriekGeplaatst door Igor Wijnker vr, oktober 19, 2012 20:05:32

Al na een paar bladzijden in de roman Extra tijd van A.H.J. Dautzenberg, dacht ik aan Herman Brusselmans. De mediagenieke veelschrijver die minstens twee boeken per jaar afscheidt, vol met vlot geschreven zwartgalligheid.

In tegenstelling tot de zelfbenoemde jonge mooie oppergod der Vlaamse Letteren is Dautzenberg een laatbloeier. Hij debuteerde in 2010 op z’n 42ste, maar heeft de vaart er aardig in: Extra tijd is alweer zijn vierde boek, en het leest ook vlot weg. Het is gesitueerd in een Limburgs arbeidsmilieu. Gustaaf Meulenberg gaat sterven, bovendien dreigt zijn favoriete voetbalclub Roda JC te degraderen. We beleven die laatste fase door de ogen van zijn zoon Marcel, die de helft is van een tweeling en bovendien dichter. Waarmee hij de kost verdient ben ik vergeten, maar dat is ook irrelevant voor het verhaal - vermoed ik.

Ik had nooit eerder iets gelezen van Dautzenberg, maar hij manifesteert zich in Extra tijd als een plotbouwer. En hij kan een verhaal vertellen, zoveel wordt meteen duidelijk. Fraai hoe hij de moeizame relatie schetst tussen Marcel en zijn doodzieke vader - vroeger ook zijn strenge voetbalcoach die thuis vooral zweeg. Maar al snel steken ook de irritaties bij deze lezer de kop op. Die worden vooral veroorzaakt door de gemakzucht van de schrijver, die te vaak kiest voor de makkelijke weg, voor de iets te populaire toon. Waarmee hij zichzelf te kort doet, want hij schrijft ook zinnen als deze, over tante Hedwig: Een golem die is opgetrokken uit Kerkraadse klei, een grondstof die voor 97 procent uit minderwaardigheid bestaat. De overige 3 procent? Steenkoolgruis. Naar dit soort fraaie formuleringen moet je met een mijnwerkerslamp zoeken.

De keuze voor een snel verhaal (jawel, een echte pageturner) heeft ook consequenties op andere niveau’s. Om een cliché te gebruiken (maar dat mag bij Dautzenberg): de personages willen maar niet loskomen van het papier. Hoofdpersoon Marcel blijft een bedacht karakter en dat is opmerkelijk omdat het boek grotendeels autobiografisch is.

Je mag als lezer in zijn hoofd zitten, maar krijgt geen emotionele band met hem, noch met de andere personages. Ik krijg ook geen hoogte van Marcel, die het ene moment poëtische zinnen uit zijn pen laat vloeien en dan weer fantaseert over het uitmoorden van een dorp. Die fantasie is grotesk en past helemaal niet bij de hoofdpersoon; is louter bedoeld om te shockeren.

Alsof Dautzenberg zijn imago moet bevestigen. Eigenlijk hoort de voorgaande zin niet in een boekbespreking (want een boek moet je beoordelen op zijn merites), maar volgens Dautzenberg horen die randzaken juist ook bij de literatuur, vertelde hij laatst in de Volkskrant. ‘Literatuur hoeft niet per se binnen twee kaften van een boek gestalte te krijgen,’ aldus de man die zich sinds zijn debuut heeft geafficheerd als provocateur. Hij publiceerde interviews in de VPRO Gids die hij –naar later bleek- uit zijn duim had gezogen, en hij profileerde zich in de media als lid van pedofielenbelangenvereniging Martijn. Tot mijn grote verrassing contrasteert dit imago met zijn stijl in Extra tijd. Dautzenberg gaat regelmatig voor ons op de knieën, misschien snappen we het anders niet. Werner heeft meer bevestiging nodig dan hij. Dat is altijd al zo geweest. En: ‘Ik knip geen plaatjes, lul.’ Dat laatste woord komt er geïrriteerd uit.

Het sterkst zijn de scènes en dialogen die voor zich spreken en de pijn voelbaar maken. De hoofdstukken 4 en 5 zijn zelfs als een filmscript geschreven: tientallen korte scènes van soms slechts een paar kale zinnen, genoteerd in een registrerende stijl. Dat is een mooie vondst en het werkt goed. Hier krijgt de lezer niets uitgelegd, maar moet hij zijn eigen verbeelding gebruiken. Onbedoeld legt het ook de makke bloot van de eerdere hoofdstukken.

Dautzenberg weet mij wel te raken hoor. Nee, niet met het traumatische verleden van zijn vader en tante Hedwig dat er te vaak in wordt gehamerd. Maar wel als Marcel op de laatste avond nogal onbeholpen zijn vader probeert te omarmen. Of hoe zijn vader de laatste uren doorbrengt, kijkend naar een documentaire over muskusratten. De luchtige toon schrijnt.

Die mooie momenten maken van Extra tijd nog geen geslaagde roman. Sterker, het is lang geleden dat ik zo’n onevenwichtig boek heb gelezen. Je kan zelfs zien wanneer de schrijver een mindere schrijfdag had en ik vroeg me een paar keer af hoeveel (lees: hoe weinig) versies er eigenlijk van dit manuscript bestaan.

Ook curieus: op bladzijde 173 (op driekwart van het boek) schakelt de verteller opeens over van de hij- naar de ik-vorm. Misschien is dat nog een bewuste keus, de talloze inconsequenties zijn dat niet. Marcel vertelt bijvoorbeeld dat Werner niet alleen drank, maar ook dronken mensen mijdt. Even daarvoor konden we lezen dat Werner voor zijn lol bij popconcerten fotografeert en de grootverbruiker Pete Doherty een coole gast vindt.

En alsof hij zich niet kan inhouden deelt de schrijver op de valreep ook snel nog wat sneren uit aan Mondriaan (‘overschatte schilder met zijn wiskundige geklieder’), de voetballers Sneijder & Van Persie en Pete Doherty, een cokesnuivende aansteller. Een gast die niet kan zingen, matige nummers schrijft en gekke bekken trekt naar camera’s. Dit zijn persoonlijke afrekeningen die detoneren in de roman.

Grappig genoeg zie ik heel wat overeenkomsten tussen Doherty en Dautzenberg. Als laatstgenoemde zich ook wat minder aanstelt in de media en wat meer tijd en aandacht besteedt aan het (her)schrijven dan komt er misschien nog wel ‘ns een Up the Bracket of The Libertines uit zijn vingers.

Eerder gepubliceerd (in een verkorte versie) in Verakrant 16, 11 oktober 2012

  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post210
Volgende »