igorblogt

igorblogt

Hier staan veelal persoonlijke verhalen.

Ik ben ook behoorlijk actief op Twitter: kijk maar.
En heb zelfs een website: www.igorwijnker.nl

Zestien microfoons

De band (een feuilleton)Geplaatst door Igor Wijnker ma, december 02, 2013 18:50:32

‘En deze Les Paul Standard 1959 is ons paradepaardje,’ begon Robert Jensen nadat hij DaMi de andere vintage gitaren en versterkers had laten zien. ‘Hier zijn legendarische partijen op gespeeld. Onder andere door die gozer van Tilly van ehh Moke.’

‘Ik wil eigenlijk wel beginnen,’ zei Vincent.

Jensen zette zijn koffiemok op een grote basversterker. ‘Oké, we nemen eerst de drums en bas op en daarna de gitaren en zang.’

‘Apart?’ vroeg Sjors. ‘Hoezo!? We kunnen toch beter live inspelen. Dat zijn we gewend.’

Robert legde een hand op Sjors’ schouder. ‘Luister…John was het toch hè? Sjors? Oké, luister Sjors: wij streven hier perfectie na. Als je de tracks afzonderlijk opneemt kun je dat veel beter controleren. Dan krijg je crystalcleare tracks en daar word deze meneer héél blij van, en geloof me Sjors: jij wordt daar straks ook heel blij van.’

Ze liepen een kamertje met een raampje binnen. In de met zachte noppen beklede ruimte stond een drumstel op een vaalrood tapijt omringd door microfoons. Het was alsof de Ludwig een nest zwarte slangen had geworpen, zoveel snoeren lagen er op de vloer

‘Dit is de basisopstelling,’ zei de producer. ‘Zestien microfoons lijkt overdreven…’

‘Ja, zeg dat wel,’ schamperde Sjors.

‘…maar we hebben ook wel ‘ns drums opgenomen met 24 mics,’ vervolgde Jensen. ‘Ja Sjors, je kunt het ook oldschool met vier mics opnemen, maar als je straks zit te mixen en net een beetje snare, room of whatever wil toevoegen, is het er niet! Ik zeg altijd maar zo: weghalen kan altijd, toevoegen wat je mist, lukt niet meer. Dus hebben we een sm57 onder en boven de snare. En die extra mic bij de tom lijkt overdone, maar daar ga je met mixen echt blij van worden. Je kunt dan alle laag uit je overheads draaien, de toms gaten en ze lekker stereo in de mix leggen.’

‘Perfect toch,’ zei Michiel. Hij gaf Sjors een por, maar die keek nog steeds ernstig: ‘Moet je kijken wat een poppenkast. Ik moet wel de ruimte hebben om te kunnen spelen.’ Hij liep als een roofdier om zijn drumstel heen.

‘…en deze Neumann staat rechts achter de drums,’ maakte Jensen zijn opsomming af, ‘voor het übervette stereo drumgeluid bij de rechter tom en links achter bij de hihat ook eentje voor het übervette drumgeluid bij de snare.’

‘En tenslotte deze dure, maar hele fijne jongen.’ Jensen liep naar een condensatormicrofoon die 3 meter voor het drumstel op oorhoogte stond. ‘Deze roommic om heel vet gecompressed in de mix te leggen met een bak galm waar je aaaautch! tegen zegt.’

Sjors roffelde met zijn stokken op zijn dijbenen. ‘Ik vind het allemaal heel indrukwekkend, maar ik wil nu eindelijk wel beginnen.’

‘Okay! That’s the spirit, Sjors. Je hebt vast wel ‘ns met clicktrack gespeeld. Neehee? Maakt niet uit. Voor een drummer als jij is dat geen probleem.’

Toch voelde het voor Sjors alsof hij vanavond moest spelen in een bruiloftband.

‘Ik ga dus ècht niet met zo’n irritante tik spelen.’

(Wordt vervolgd)

  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post255

In de studio

De band (een feuilleton)Geplaatst door Igor Wijnker vr, oktober 25, 2013 13:05:36

Met de schoenen op het bordeauxrode tapijt bekeek de band in de hal de wand met gouden en platina platen en foto’s van artiesten die interessant probeerden te kijken. Er hingen ook groepsportretten met internationale beroemdheden. Afgaande op hun welwillende maar geforceerde glimlach, was het wel duidelijk wie het initiatief voor die snapshots had genomen.

‘Hé cool, check deze!’ zei Daniël. ‘Die Robert is echt geen kleine jongen.’ Sjors negeerde hem en liep naar een marmeren zuiltje met daarop een gouden beeldje. Hij klopte op het marmer dat toch geen marmer bleek te zijn en bekeek het gegraveerde plaatje: Best Video Clip 2001.

‘Hééé! Guys!...welkom!’ Een gezette veertiger liep ze tegemoet met een mok dampende koffie. Het was de man die breed lachend op alle groepsfoto’s stond, toen zijn haargrens nog niet werd bedreigd. Robert Jensen, de producer en eigenaar van Crystal Clear. Het staartje droeg hij nog wel. Jensen sloeg Michiel op de schouder (‘hé gozer, alles kits?’), gaf Daniël een slaphand op schouderhoogte, gevolgd door een omhelzing. ‘Hé gast, goed je te zien.’

‘Jullie hebben onze wall of fame al bekeken. Misschien dat jullie daar ook nog ‘ns op komen.’

‘Hé Robert, dat is toch Matthew Bellamy?’ vroeg Daniël. ‘Waar heb je die ontmoet?’

‘Op een muziekbeurs in Londen. Maar eigenlijk wilde ik vooral hèm ontmoeten. Hij wees naar een kruising tussen Ed Kowalczyk en een jongere versie van die biljartbalkale captain uit Star Trek The Next Generation. ‘Dat is David Bottrill, een producer.’

Hij stak Vincent en Sjors ook zijn mollige hand toe.

‘Maken jullie hier ook videoclips?’ vroeg Sjors, het beeldje terugzettend op de sokkel.

‘Nee, wij zijn echte soundwizzards bij Crystal Clear. Hoezo?’

‘O, zomaar.’

‘Een jongen met ambitie hè? Dat zie ik graag. Maar laten we eerst de basis leggen: de single die de nieuwe indie-sensatie DaMi gaat katapulteren.’

‘We gaan toch wel twee liedjes opnemen?’ vroeg Sjors.

‘Voor het B-kantje, bedoel je? Haha, dat hoeft tegenwoordig niet meer joh. Nee hoor, geintje. Maar dit is zeker de eerste keer dat je in een high end studio bent?’

Sjors knikte. Gedweeër dan zijn bedoeling was.

‘Vergis je niet: er gaat veel tijd in één song zitten, maar dan heb je ook súper quality. Pure ear candy! Een geluid waar je niet eens van had durven dromen. Maar genoeg gepraat. Kom, ik laat jullie de studio zien.’

Ze gingen door een deur met daarboven een rode lamp. Vincent las de sticker op de zware deurGood…Better…Best…Studio Crystal Clear

Ze betraden een hoge ruimte.

‘Zóóó….VET!’ jubelde Daniël.

‘En dit is de magic room,’ begon Jensen. ‘Het is gedaan door een Brits akoestisch bureau, die al heel wat befaamde studio’s onder handen heeft genomen. Het is ruim vijf meter hoog zodat je geen last hebt van reflecties of faseproblemen. En je krijgt je de energieke totaalsound waar vooral die doofstomme radio-dj’s in Hilversum als een blok voor vallen – maar dat laatste heb ik niet gezegd hè.’

(wordt vervolgd)



  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post252

Pappa

De band (een feuilleton)Geplaatst door Igor Wijnker wo, september 04, 2013 15:12:07

Boven zijn hoofd werd een stoel verschoven. Vincent registreerde het niet, hij was verdiept in de Bassist, in een artikel over een gitaar uit de jaren zeventig. Wat de instrumenten echt bijzonder maakt is de halsconstructie. De hals gaat zo ver in de body door, dat we bijna van een doorlopende hals kunnen spreken. In tegenstelling tot de gelijmde doorlopende halzen van de Ricken…‘BAF!’

Boven zijn hoofd viel iets met een doffe dreun op de grenen vloer. Daarna was het even stil voordat Carol het op een krijsen zette. ‘OH…NEE SHIT!’ Vincent liet de Bassist op het hoogpolige wc-matje vallen, veegde snel zijn kont af, sprintte –zijn spijkerbroek dichtknopend- de trap op en stormde de slaapkamer binnen.

De prinsessenstoel stond tegen de commode, daarnaast lag op de grenen vloer zijn dochter te schreeuwen. De glitterende elfenvleugels op haar rug hingen er slap bij - ze hadden haar niet kunnen dragen. ‘O schatje, stil maar. Kom maar bij pappa.’ Hij tilde haar voorzichtig op aan haar oksels. Ze voelde zwaarder. Haar warme natte wang tegen die van pappa. ‘Laat ‘ns kijken, lieverd. Waar heb je pijn?’ Zijn trommelvliezen waren wel wat gewend, maar het antwoord dat Carol – bij gebrek aan vocabulaire- in zijn oor krijste was vele malen pijnlijker dan Sjors die losging op zijn crashbekkens.

‘Stil maar, meisje,’ suste Vincent. ‘Het is niet erg.’ Maar het was wel erg. Althans, ernstiger dan hij hoopte. Haar linkerpolsje maakte een vreemde knik. Hij belde de dokter, die hij door Carols geschreeuw nauwelijks kon verstaan. De woorden ‘ziekenhuis…meteen’ en ‘pijnstiller’ had hij wel meegekregen.

Pijnstiller? Logisch. Maar waar lagen die dingen. Hij liep naar zijn geluidgeïsoleerde muziekkamer en belde Brenda op. “Luchtig praten, rustig blijven,” hield hij zichzelf voor. Toen haar telefoon al overging besefte Vincent pas dat hij Brenda nooit op haar werk belde. Behalve die keer toen hij één telefoontje mocht plegen van de agent. Ze nam al op.

‘Hoi, met mij. Hé Bren, waar liggen de pijnstillers van Carol ook weer?’

‘….Vincent….wat is er gebeurd?’

(…)

‘Vincent!’

‘Ehhh…Carol is op haar polsje gevallen en moet zo even ter controle naar het ziekenhuis.’

‘Hè verdorie Vincent, hoe kun je dat…’

‘Ja, daar hebben het later nog wel over oké? Waar liggen die pijnstillers nou?’

‘Gewoon. In de linker bovenla natuurlijk. Zoals altijd. Naast de thermometer. Hé, en ga je wel naar het academisch. Ik kom daar ook zo snel mogelijk naartoe.’

‘Ah joh, dat hoeft…’ Ze had al opgehangen.

Terwijl Carol een vrolijke kleur gips kreeg omwikkeld, ging Vincent door de stapel met Arts & Auto, Libelle, Elsevier, Story, Eigen Huis en Interieur, Computertotaal. “Stom,”dacht hij, “ik had de Bassist moeten meenemen.”

Hij liep naar de koffiemachine en zag tot zijn vreugde dat de koffie gratis was. Die verdween meteen na zijn eerste slok.

Door de transparante wand zag hij Brenda al van ver aankomen: haar rijzige gestalte veerde lichtjes. Ze beende met haastige tred over de linoleum vloer - alsof het iets uitmaakte of ze er tien seconden eerder zou zijn. Ze gaven elkaar een vluchtige kus.

‘Hoi. Hoe gaat het?’

‘Goed hoor. Ze is nu in de gipskamer. Het is een mooie breuk volgens de dokter. Ze hoeft hooguit twee weken in het gips.’

Brenda ging naast hem zitten en begon opeens zacht te praten. ‘Hé maar Vincent, wat is er nou precies gebeurd?’

‘Ik moest nodig naar de plee en heb haar even alleen gelaten in haar kamer.’

‘Hèè…jeetje, je weet toch dat dat niet kan.’

‘Niet kan?! Moet ik ook maar een luier aan of zo!’

Er werd hun kant op gekeken.

‘Wil je alsjeblíeft iets zachter praten?’ fluisterde Brenda.

‘Dit kan iedereen toch overkomen? Jij laat haar toch ook wel ‘ns alleen?’

Daarna zwegen ze. Brenda bladerde door een woonblad, Vincent keek naar de punten van zijn laarzen. De deur van de gipskamer ging open en daar kwam Carol aangedrenteld, gevolgd door een witte jas. Ze liep meteen op haar moeder af, die ze niet meer losliet tot ze in haar autostoeltje werd gezet.

Vincent had nog nooit zo rustig over de verkeersdrempels gereden. De stilte werd doorbroken door een trillend geluid op het dashboardkastje, gevolgd door de gitaarsolo van Keep your enemies.

‘Oh, shit!!’ Hij sloeg hard op zijn stuur. ‘Godverdomme! De repetitie!’

Brenda keek hem fel aan: ‘Hé! Hou je in hè!!’

‘Kun jij hem even opnemen! Alsjeblieft?’ vroeg hij.

Brenda liet het oplichtende schermpje zien: MIESCH.

‘Jaahaa, ik wéét dat het Michiel is. Kun jij ‘m even…’

Ze drukte op het groene knopje en hield de luidspreker tegen Vincents wang.

‘Hé gozer, waar blijf je? We zijn al een half uur bezig.’

‘Ja sorry. Ik kom nu net uit het ziekenhuis met Carol. Ze heeft haar polsje gebroken.’

‘Oow, dat is klote. Maar kom je nog wel langs?’

Vincent keek vragend opzij. Brenda schudde gedecideerd haar hoofd. ‘Carol moet eerst naar huis en we moeten ook nog eten.’

‘Mm, ik hoor het al,’ zei Michiel, ‘het is wel de laatste repetitie voor de opname, hè?’

‘Jaja. Ik weet het, maar die liedjes zitten er helemaal in hoor. Dat komt goed. Zie je zondag.’

De rest van de rit werd gezwegen. Terwijl Brenda stuurs voor zich uit keek stak ze haar armen links en rechts van haar stoel naar achteren en masseerde de kuitjes van haar dochtertje, die doezelend op haar speen sabbelde.

Met Carol op haar arm prepareerde ze een potje macaroni met tonijn in de magnetron.

‘Ik kook wel,’ zei Vincent.

Het was fijn om de prei, courgette en champignons te wassen en snijden. Met zijn rug naar de keukentafel, waar Carol lauwwarme schepjes kreeg toegediend. Door de sissende koekenpan en loeiende afzuigkap hoefde hij niet de zalvende woordenstroom van Brenda aan te horen. Hij had niet eens in de gaten dat ze even naar de wc ging, en heel snel weer terugkeerde. En dat haar juist weer enigszins gekalmeerde gemoedstoestand in die paar seconden van de wc terug naar de keuken was veranderd in een razende woede. En niet omdat Vincent was vergeten door te trekken.

‘Wat is dit?!’ schreeuwde ze hard boven standje 3 van de afzuigkap. Hij draaide zich om en voelde hoe de Bassist met kracht tegen zijn keukenschort werd gesmeten.

‘Dit?’ Hij raapte zijn verfrommelde lijfblad van de plavuizen. ‘Dit heeft er helemaal niets mee te maken!’

‘Twéé keer in de week moet je op haar passen. Twéé keer heb je de verantwoordelijkheid over haar. En zelfs dát kun je niet opbrengen!’

‘Godverdomme. Het was een on-ge-luk, Bren! Dat had jou ook kunnen overkomen!’

Carol keek heen en weer van mamma naar pappa, alsof ze naar een tenniswedstrijd van zestigplussers zat te kijken.

‘Nee. Dit overkomt mij niet,’ beet ze Vincent toe, terwijl ze een bekertje vruchtenyoghurt uit de koelkast pakte. ‘Wanneer word je ‘ns een volwassen, man!’

‘Klotezooi!’ vloekte Vincent, met de houten lepel roerend in de koekenpan. En daarna zacht: ‘we hadden haar nooit moeten nemen.’

‘Wat zei je?’

(wordt vervolgd of wordt niet vervolgd, dat is de kwestie. Vertel me wat jij vindt.)



  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post247

Het eerste lied

De band (een feuilleton)Geplaatst door Igor Wijnker za, juni 15, 2013 22:19:59

Wat vooraf ging: Daniël, de onbekende gast op het feest van de jarige Menno, raadde –tot ieders verbijstering- direct het intro van Pour Mouth van 16 Horsepower dat Michiel op de gitaar speelde. Hoe kon hij dat weten?

‘Omdat het zó’n fokking weergaloze plaat is,’ zei Daniël. ‘Secret South toch?’

Michiel knikte. ‘Oké. De volgende is iets recenter.’ Hij tokkelde een ontspannen, bijna jazzy melodie op de vier dikste snaren. Daniël keek uitdagend de kring rond, gaf de anderen nog even de tijd. ‘Niemand? Ah…kom op, gasten! Zijn jullie nou mannen van de alternatieve muziek? For crying out loud: Andrew Bird!’ Hij begon te zingen: ‘I was getting ready to be a threat…’

Met open mond zaten de anderen naar hem te kijken. Hij bleef zingen. Michiel speelde door – zijn lachende hoofd schuddend van ongeloof bij de vreemde passages (‘all those Don Quixotes in their B-17’s’).

‘Jezus man!’ zei Rogier. ‘Jij kent gewoon die hele tekst uit je kop?’

‘Dit zijn zulke weirde lyrics, die onthoud ik nog makkelijker.’

‘Zozo,’ zei Michiel, ‘ik ben onder de indruk.’

‘Dank je. Het zingt ook wel lekker met zo’n gitarist. Serieus: jij bent echt de beste onbekende gitarist die ik ooit heb gehoord.’

‘Hihihiiii,’ lachte Menno zijn hoge lach die je niet verwachtte bij zijn mastodontenlijf, ‘dat is een mooie voor op je grafsteen, Miech.’

Michiel hield op met spelen. ‘Wil je niet een keer in mijn band komen zingen? Wij hebben geen echte leadzanger.’

‘Wat spelen jullie voor een muziek?’

‘Die liedjes die ik net speelde. Arctic Monkeys, Bloc Party, dEUS,...’

‘Maken jullie geen eigen liedjes?’

‘Nee. Wij zijn niet zo goed met teksten.’

‘Mmmm. No offence hoor, maar ik zou alleen in een band zingen die eigen liedjes speelt. Heb je nog nooit een eigen song geschreven?’

‘Ik heb wel ideetjes, maar die werk ik nooit uit. En de anderen willen alleen covers spelen.’

‘Wil je iets laten horen?’

‘Hé jongens, geen covers meer?’ vroeg Michiel aan de anderen.

Rogier stond al bij de stereo om een cd op te zetten: ‘Met die Daniël is er toch niks aan.’

Menno was een nieuwe joint aan het draaien. Ewald zat in kleermakerszit verongelijkt op zijn kussen.

De cd van Korn klonk belachelijk hard – de twee songschrijvers in de zithoek merkten er niets van. Muzikaal behang.

In hun universum, daar gebeurde het.

Michiel speelde drie eenvoudige barré-akkoorden, die zich door zijn onorthodoxe aanslag toch meteen in het hoofd nestelden. Één keer hard, daarna een paar keer gedempt herhaald.

‘Jaa! Heel mooi begin,’ zei Daniël. ‘Heb je al een zangmelodie bedacht?’

Michiel neuriede een zangerige melodie met slechts enkele lettergrepen, die hij dermate uitrekte dat ze zich keurig naar de akkoorden voegden.

Hij keek even opzij en ontdekte nu pas dat het niet Daniëls fonkelende ogen maar zijn volle wenkbrauwen waren die zijn blik zo indringend maakten. Zo frontman-achtig, zegmaar. ‘Klinkt één keer leuk, misschien twee keer ook, maar het wordt wel wat eentonig. Je zit als het ware gevangen in die melodie, het is moeilijk om eruit te komen, om iets anders te zingen.’

Michiel was het met Daniël eens, en genoot van zijn eerlijkheid. Bij zijn band moest hij kritiek altijd heel voorzichtig brengen, omdat zijn bandmaten zich zo snel aangevallen voelden.

‘Kun je het nog een paar keer achter elkaar spelen?’vroeg Daniël. ‘Dan probeer ik wat anders.’

Hij lalalala-de lange zinnen, die hij zelf van commentaar voorzag (‘neenee, dit is het niet. Maar ga door, Michiel.’). Daarna met veel variatie in de toonhoogte (‘nee, dit is te gezocht’).

‘O. Ik vond het wel geinig,’ zei Michiel die nu al twee minuten dezelfde drie akkoorden zat te spelen. Als het moest ging hij nog minstens een kwartier door.

‘Er zit iets mooiers in,’ zei Daniël, ‘ik doe even geen lalala’s meer, maar zing gewoon onzin, oké?’

Hij zong een zin die twee keer zoveel lettergrepen bevatte als het origineel van Michiel. Het was bijna rappen met woorden die werden ingeslikt, elkaar wilden inhalen. Korte pauzes en enkele harde klemtonen. Ze lachten naar elkaar. ‘Ja hè?’ zei Daniël. Dit was ‘m. De wel catchy akkoordenreeks met zeurderige zang van net was veranderd in een lied met kloten. Een lied dat er altijd al geweest leek te zijn, maar toch echt nu net was geboren. Zomaar ontstaan uit het niets, uit zijn handen - hun handen.

Michiel zat te gloeien. Hij was euforisch. Bevrijd. En behoorlijk dronken en stoned. Maar een blijkbaar broodnuchter deel van zijn hersenen wierp in een lucide flits een nieuw licht op zijn situatie. Of eigenlijk was het een slagschaduw: dit betekende het einde van zijn coverband. Hij was heel even verward, maar dit was wat hij eigenlijk al jaren wilde, maar niet durfde: iets zelf creëren. Hiermee zou hij zeker respect afdwingen van zijn ouders en zijn zus. Hij stak zijn flesje in de lucht om te proosten.

‘Zullen we eerst nog het refrein doen,’ zei Daniël, een telefoon uit de zak vissend die aan de rechterpijp van zijn kaki broek was genaaid. ‘Nog een keertje? Dan neem ik het even op.’

‘Jaja, tuurlijk,’ zei Michiel ernstig.

Daniël neuriede hoe de akkoorden naar zijn idee moesten klinken. Tatadatadatataaa! En Michiel transformeerde ze in gitaarakkoorden. Hij was verbaasd over de suggesties die Daniël deed. Hij zei precies wat Michiel dacht, maar dan in begrijpelijke taal. ‘Dat refrein moet uit die sleur van het couplet en het moet er in knallen. Geen aanloopje, of inleiding.’

‘Hoe vaak heb je dit al gedaan?’ vroeg hij aan Daniël.

‘Nog nooit.’

‘Hé jongens! Dat klinkt veelbelovend!’ verbrak Rogier het intieme samenzijn. Hij probeerde Menno te wekken op de bank lag te slapen. Dat lukte niet. ‘Nou ja, we horen het wel, als het af is hè?’ Hij vertrok met Ewald.

Het was al licht toen Michiel en Daniël hun eerste lied hadden geschreven.

(wordt vervolgd)

  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post236

De ontmoeting

De band (een feuilleton)Geplaatst door Igor Wijnker ma, juni 03, 2013 22:21:57

Deel 5 van het vervolgverhaal dat in de Verakrant wordt gepubliceerd. Dit is een enigszins gewijzigde versie.

In het begin vond hij Daniël vooral een aansteller. Zoals hij praatte met zo’n Engelse r (‘hé Menno! Gozeww, alles lekkeww?’). Hoe hij zijn rode wijn dronk: de voet van het glas in de handpalm. Telkens als hij een slok nam kneep hij zijn ogen een beetje dicht.

Het feestje van Menno, die zijn twintigste verjaardag vierde, verliep volgens het bekende patroon en met veel bier en weinig meiden. De paar meiden die er waren, hadden al een vriendje. Michiel kon dat woord niet goed verdragen. Hun vriendje, alsof ze het over een modeaccessoire hadden. Toen het met alcohol verdunde jagersbloed door de aderen van de jongemannen spoot, trokken de meeste feestvierders rond middernacht de stad in.

Michiel, telg van de beroemde familie De Leeuw die al vele topmusici had voortgebracht, hield op zich wel van neuken, maar vond het altijd zo’n gedoe vooraf en vooral na afloop.

En hij voelde zich senang hier, in de zithoek van de afgeleefde studentenetage. In een ontspannen kring van gelijkgestemden. Vijf jongens hangend op de versleten lederen bank of op een kussen op de houten vloer. Een joint ging van hand tot hand. Net als de akoestische gitaar van Menno. Veel beter zou het leven niet worden, maar dat kon Michiel op dat moment nog niet weten.

Ewald, een magere jongen met lang sluik haar maakte indruk met een virtuoze solo. Hij zat in kleermakerszit op een kussen en had extreem benige vingers, alsof er over het complexe stelsel van tientallen botjes en gewrichten alleen een vlieslaagje was gespannen. Zijn vingerkootjes bewogen razendsnel over de frets. De bewondering bij de anderen verzandde snel in desinteresse.

De onbekende gast, met die aanstellerige r, kwam erbij staan. Hij stond schuin achter Ewald: ‘Ah! Een virtuoos aan het werk.’ Het klonk licht spottend, maar omdat –behalve Menno- niemand uit de kring hem kende, was dat niet helemaal duidelijk.

‘Huh?!’Ewald stopte en keek verstoord opzij, alsof er met de woorden van de vreemdeling ook wat speeksel was meegekomen dat op zijn rechterwang was geland. ‘Kun jij het beter dan?’ Hij bood de gitaar aan.

De jongen begon te lachten: ‘Haha! Nee. Zeker niet. Ik speel niet eens.’

Ewald keek triomfantelijk de kring rond en lachte schamper. ‘De beste muzikanten staan voor het podium, toch?’

‘Het doet me gewoon niks,’ antwoordde de onbekende kalm, ‘zo’n eindeloze solo. Dat heeft een inflatoire uitwerking op de noten.’

Ewald gaf de gitaar door aan Michiel. ‘Een inflawattes?’

‘Overdaad schaadt, zegmaar.’

‘O wacht, nu snap ik het,’ zei Ewald. ‘Ik vroeg me al af wie jij was. Maar jij bent van de smaakpolitie.’

‘Ik ben zeker niet tegen virtuositeit,’ zei de jongen rustig en hij nam een slok wijn, ‘maar een solo moet wel ten dienste van de song staan. Zoals alle instrumenten trouwens.’

Michiel luisterde met toenemende instemming naar die ietwat arrogante snoeshaan. Hij tokkelde de intro van Paranoid Android. Het kostte hem geen moeite. De gitaarhals in zijn linkerhand voelde meer vertrouwd dan een vork, een pen of zijn geslachtsdeel. Als het huis in brand zou vliegen zou hij eerst zijn gitaar in veiligheid brengen en daarna pas de hond.

Het was geen liefde op het eerste gezicht - het ging veel verder. Toen zijn favoriete oom Ronald hem, tot ontsteltenis van zijn ouders, voor z’n elfde verjaardag een 3/4e gitaar cadeau deed en een paar Beatles- en Nirvana-liedjes speelde was Michiel meteen verslaafd.

Wat een openbaring na die eindeloze pianolessen. Muziek die niet van blad hoefde te worden gespeeld. Waarbij je kon zingen. En dat zijn ouders er een afkeurend gezicht bij trokken maakte het ook extra aantrekkelijk. Dít was wat hij wilde.

‘Ach Bea,’ had Herbert de Leeuw zijn vrouw proberen gerust te stellen, ‘dat waait wel weer over.’ Maar de verslaving van hun jongste zoon zou alleen maar erger worden. En werd echt problematisch toen hij in de brugklas een elektrische gitaar kreeg. ‘Joh, daar heb ik al jaren niet op gespeeld,’ zei oom Ronald achteloos. Nadat Michiel, voor wie volgens de CITO-scores een mooie carrière op het VWO in het verschiet lag, was blijven zitten in de tweede klas van de HAVO werden er harde afspraken gemaakt: maximaal vier uur per dag. Een inperking van het aantal muziekuren: dat was een uniek (en doodgezwegen) feit in de familie De Leeuw.

Als zijn moeder Michiel welterusten kwam zeggen, nam ze zijn gitaar mee. De verstopplaats was uiteraard snel gevonden. Sloop hij naar de slaapkamer van zijn ouders waar ze de gitaar in de inloopkast had verstopt en tokkelde ’s avonds laat op zijn bed – zittend onder een geluiddempende sprei. Tot hij last kreeg van zijn rug. Hij kon al snel net zo goed in het donker als in het licht spelen. Voor de afwijkende grepen en ritmiek van Paranoid Android hoefde hij niet naar zijn vingers te kijken.

‘Dit is ook behoorlijk virtuoos,’ zei de onbekende, ‘maar vooral een weergaloze song.’ Hij draaide zich naar Michiel: ‘Cool man. Kun je die song helemaal?’

Michiel knikte.

‘Wacht even. Ik haal nog wat te drinken. Iemand nog bier?’

‘Kun je chocola maken van de teksten van Bløf?’ vroeg Menno. ‘Neem de hele krat maar mee.’

‘Je bedoelt hét krat?’

‘Wat je wilt, meneer de taalpurist.’

‘Wie ís die gozer?’ fluisterde Ewald toen Daniël in de keuken stond.

‘O, dat is Daniël,’ zei Menno die het basisboek Bedrijfs Bedrijfseconomie van tafel pakte en op zijn schoot legde. ‘Ik kwam hem tegen bij een huiskamerconcert. Wat een kerel hè? Ik vond hem wel grappig. Hij is zo heerlijk eerlijk. Of zoals hij zelf zou zeggen: zo hiwwlijk iwwlijk.’ Menno legde een grote vloei op het boek.

Daniël kwam terug met het bier en een fles wijn. ‘Michiel heet je toch?...Kun je Paranoid Android nog een keer spelen?’ Hij ging op het krat zitten, pakte er een bierflesje uit, hield de hals schuin tegen de rand van het zitvlak en sloeg met zijn vlakke hand hard op de dop. Vijf keer klonk een korte pssh!

‘Please can you stop the noise I’m trying to get some rest, ’ zong Daniël terwijl hij zichzelf wijn bijschonk. Bij the noise boog zijn stem omlaag in plaats van omhoog, maar hij zong het vol overtuiging.

‘Niet slecht,’ zei Michiel. ‘Zing je in een band?’

‘Nee, alleen thuis, en als ik genoeg drank op heb.’

‘Hé Miech,’ vroeg Rogier, die naast Menno zat en met zijn Zippo-aansteker een blokje hasj bewerkte en de warme brokjes over het tabaksbedje verdeelde, ‘hoeveel nieuwe songs heb je sinds het laatste feestje gemasterd?’

‘Pfff, wanneer was dat? In oktober, bij Kees? Een stuk of vijftien, denk ik.’

De anderen begonnen met hun bierflesjes op de houten vloer te tikken. ‘Spele! Spele!’

Michiel grijnsde en nam een grote slok. ‘Oké, ik begin meteen moeilijk. Deze raden jullie nooit.’

Het klonk als een westernachtige song. Een paar desolate aanslagen op de a en d-snaar. ‘Dit is toch 16 Horsepower?’ vroeg Daniël.

‘What the fuck!’ riep Rogier uit. ‘Hoe weet je dat, man?’

(wordt vervolgd)

  • Reacties(4)//deblogger.igorwijnker.nl/#post234

Oosterhoef (deel 2)

De band (een feuilleton)Geplaatst door Igor Wijnker zo, april 28, 2013 15:52:49

Het podium lonkte: de spotlights, de aandacht en adoratie. Maar eerst was er die andere magische plek, waar de popartiesten zich konden terugtrekken. Backstage kon je het niet noemen (daar bevond zich namelijk de parkeerplaats). En er stond geen koelkast. Wel twee stellingkasten waarin onder andere roestvrijstalen asbakken, bier- en frisdrankglazen in doos, schuursponsjes en bierviltjes. Aan de bovenste planken hingen aan knaapjes drie gestreken zwarte overhemden met grote kraag.

Tegen de achterste muur stonden op elkaar gestapelde tafels. Daarop stoelen en barkrukken, daaronder kratten frisdrank, biervaten, dozen wijn en een dichtgebonden maar niet bepaald reukloze vuilniszak. En nog ruimte genoeg voor een band – zolang je geen 10 mans soulformatie was.

Daniël trok gedachteloos een mop uit een lege emmer en bekeek het alsof het een buitenaards object was. ‘Dat is een wringer,’ zei Vincent, zijn overhemd dichtknopend.

De barman kwam binnen. ‘Willen de artiesten nog wat drinken?...Zelfde als net?’

‘Wat voor een rode wijn heb je?’ vroeg Daniël.

‘Weet ik niet…van de groothandel. Het is die wijn.’ Hij wees naar een doos. Daniël haalde er een literfles Lambrusco uit. ‘Mmm. Doe maar. Hé, enne…hoeveel mensen zijn er al?’

‘Een stuk of vijftien. Maar het zal straks wel wat drukker worden, als de kerk uit gaat.’

Tappetappetappetappetap! [Sjors’ drumstokjes op de barkruk]

Michiel wandelde door de kleedkamer, toonladders spelend op zijn Les Paul. De 10 mg propanolol begon al te werken bij Daniël. Hij stond hardop neuriënd zijn smartphone te lezen.

Jeroen stak zijn hoofd in de deuropening -‘zullen we zo beginnen?’- en spoedde zich weer terug naar de draaitafel. ‘Hé Jeroen, wacht even!’ riep Michiel. Hij liep achter hem aan en gaf in de keuken een cd’tje waarop de eerste veertig seconden van Pioneer to the Falls van Interpol waren geloopt. ‘Kun je dit draaien voor we opkomen? In het donker graag.’

De jongens gingen in een gesloten kringetje staan, de armen in elkaar verstrengeld - die van Vincent bovenop. Daar galmde de jengelgitaar van Interpol al door het jongerencentrum, onheilspellend en donker. Het zaallicht doofde: DaMi kwam in beweging. Ze hoefde zich niet door een menigte te wurmen; bijna alle aanwezigen zaten aan de bar. Daniël liep met losse tred naar voren, zijn ogen schoten van links naar rechts - hij telde hooguit 30 mensen.

De stap het podium op was een hele kleine voor de bandleden, maar een grote voor de geschiedenis van Jongerencentrum De Boog – zo zag Daniël dat.

Hij keek achterom, de hand aan de microfoon, wachtte tot Michiel een langgerekt akkoord aansloeg, haalde diep adem en gaf een knikje naar Jeroen die links voor het podium achter het mengpaneel stond. De muziek werd weggedraaid, Daniël helde voorover: ‘Hallo. Wij zijn DaMi en dit lied heet Let’s Go.’

Dit was hun meest uptempo lied. Een sneltrein die na vier keer aftikken meteen op topsnelheid lag (152 bpm). Eigenlijk was ramkoers een betere omschrijving van de kracht waarmee Sjors op de bass- en snaredrum beukte. Zodra Vincents broekspijpwapperende dudduddudduh’s zich erbij voegden en er genoeg bekenden in het publiek stonden, kwam het volk voor het podium meteen in beweging.

Oosterhoef bleef op de barkruk zitten. Alleen aan de rand van de lege dansvloer stond een groepje jongens rond een statafel. Ze moesten hard praten om boven de band uit te komen. Het lied eindigde abrupt en smoorde in geroezemoes.

‘Hé Jeroen!’ bulderde iemand. ‘Zet effe Triggerfinger op!’ Hol gelach.

En meidengegiechel. Het klonk ergens halverwege de zaal, in een van de duistere zithoekjes, verscholen achter een houten schot. Daniël had zijn richtpunt gevonden.

‘En dit lied,’ zei hij met een glimlach, ‘is voor de dames in die hoek. Het heet In Your head.’

‘SPEULE!!’ [weer de bulderstem]

Dit was het lekkerste lied om te zingen. Hier hoefde Daniël zich niet te forceren. Na het eerste couplet stapte hij van het podium en liep naar de tafel van de meiden. Het waren er vier. Opgewonden tienergezichten, in een gloed van kaarslicht.

Hij wilde dichterbij komen, maar de lengte van zijn microfoonsnoer stond dat niet toe. Op twee meter afstand zong hij de meiden toe. Een van de meiden maakte een foto met haar telefoon. Flits. Gegiechel.

Hij blies een kus naar de meiden. Ze applaudisseerden.

De frontman begon zich steeds vrijer te voelen, maakte zijn vreemde danspasjes waar geen choreografie aan te pas kwam. Hoe gekker de bewegingen des te beter Daniël zich voelde. Zijn bandmaten speelden met een achteloze losheid. Hij lachte naar ze; hij hield van ze. En zag hij dat goed, of knikten er aan de bar een paar stijfkoppen mee op de maat?

De Boog stond op capituleren.

Tot alle hoofden met een ruk naar de entree draaiden: een groep van acht jongens kwam binnen. Twee bestelden ieder een blad bier, de anderen schaarden zich rond een tafel, een paar meter achter Jeroen.

Een blonde jongen met stekeltjeshaar maakte zich los uit het groepje en ging voor Daniël staan. ‘Hé homo!’ Ja jij, met je bruine lok! Wat heb jij een kutstem, wist je dat?’

Hij werd terug naar de tafel getrokken. ‘Heu Pimmetje, doe-dah-nou-niet-johhh! Lllaat die mietjes toch.’

Daniël probeerde niet naar ze te kijken, maar het was onmogelijk om die gasten te negeren. Ze duwden tegen elkaar, bestelden meer bier dan ze opdronken en converseren deden ze schreeuwenderwijs.

Een leeg glas spatte kapot voor het podium. Jeroen schoot achter de mengtafel vandaan. ‘Verdomme! Wie flikte dat!?’

Hij keek tegen een muur van lodderige en onverschillige blikken.

‘Nog één zo’n geintje en jullie komen er dit jaar niet meer in. Allemaal!’ Hoofdschuddend liep hij weer terug.

‘Bedankt Oosterhoef,’ zei Daniël voor het laatste lied. ‘Als we straks bij DVTV spelen kun je altijd nog zeggen dat je erbij was. Dit is onze eerste single: Keep your enemies.’

De anonieme meute verliet het jongerencentrum.

‘Wil je dat nooit meer zeggen, Daan!’ beet Michiel hem toe bij het opruimen.

(Wordt vervolgd)

  • Reacties(0)//deblogger.igorwijnker.nl/#post230
Volgende »